Dag 1: Het verhoor Print

Samenvatting en focus voor de leerkracht
Jezus wordt veroordeeld tot de dood in een aantal volstrekt oneerlijke rechtszaken. Toch gaat Hij niet in verdediging en draagt Hij zelf de reden voor zijn veroordeling aan.

Tijdlijn

Na de arrestatie van Jezus op een donderdag bespreken we vandaag de laatste dag van Jezus’ leven.

Extra informatie

  • Kajafas - Valse getuigen zijn door de leiders opgetrommeld om Jezus vals te beschuldigen. Jezus zwijgt. Dan komt Kajafas met de werkelijke aanklacht: Jezus zegt de Zoon van God te zijn. Hij vraagt dat rechtstreeks aan Jezus. Jezus bevestigt het. Het is duidelijk dat, terwijl de discipelen zich nauwelijks iets konden voorstellen wat de Messiaanse pretentie van Jezus is, Kajafas heel goed had begrepen wat de kern van Jezus boodschap is: Hij is de beloofde Messias.
  • Pilatus - Proconsul of prefect van de Romeinen. Door keizer Tiberius benoemd. Hij woonde in een paleis in Caesarea. Hij kwam niet graag in Jeruzalem: dan waren er altijd lastige klussen op te knappen; meestal klussen die de Joodse godsdienst aangingen, een godsdienst die de Romeinen niet begrepen. Hij heeft zich niet erg geliefd gemaakt bij de Joden door een paar ‘domme’ zetten, of misschien waren die werkelijk bedoeld om de Joden te irriteren: Bij zijn intocht liet hij de Joden verplicht knielen voor de Romeinse adelaar. Hij gebruikte tempelgeld om een waterleiding aan te leggen en hij liet op gouden schilden in het paleis van Herodes de afbeelding van Tiberius aanbrengen. Invloedrijke Joden klaagden bij keizer Tiberius in Rome. Pilatus wist dat ongetwijfeld en dus hing er voor Pilatus veel vanaf om het proces tegen Jezus netjes af te wikkelen
  • Geseling - Als iemand werd gegeseld, werd hij uitgekleed en met zijn handen boven zijn hoofd aan een paal vastgebonden. Volgens oude Joodse wetten mochten er niet meer dan veertig slagen worden gegeven. Vaak werd er rekening mee gehouden dat er een telfout gemaakt zou kunnen zijn en daarom stopte men bij negenendertig slagen. Men wist dan zeker dat de wet niet overtreden zou zijn. Een gesel is een korte zweep met leren riemen eraan. In de riemen bevinden zich stukjes lood en ijzer. Met volle kracht werd de gesel op de rug, schouders en benen van de gevangene geslagen. De leren riemen en de stukjes ijzer zorgden ervoor dat de huid open sprong en dat vervolgens ook het weefsel onder de huid open geploegd werd. Op het laatst hing de huid in lange bloederige rafels naar beneden en was de hele rug één bloederige massa geworden. Wanneer de leiding aangaf dat de geseling gestopt kon worden, werd de gevangene losgemaakt. In de meeste gevallen, viel het slachtoffer halfdood op de grond.

Lijn van de vertelling:

  • Jezus bij de hogepriester - Als Jezus is gearresteerd, brengen ze hem naar het huis van de hogepriester. Hij en de andere belangrijke Joodse leiders organiseren een rechtszaak over Jezus. En ze weten ook al wat er uit die rechtszaak moet komen. Ze regelen getuigen die liegen om Jezus veroordeeld te krijgen, maar dat lukt niet omdat hun verhalen niet met elkaar kloppen.
  • Bent u de Messias? - Al die tijd zegt Jezus niets. Hij hoort de leugens en de oneerlijke beschuldigingen maar Hij reageert niet. Dan vraagt de hogepriester Hem ronduit: ‘Bent u de Messias? De zoon van de Gezegende?’ Het wordt doodstil in de zaal en voor het eerst zegt Jezus iets: ‘Dat ben ik, en u zult de ​Mensenzoon​ aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’
  • De doodstraf - Dat is voor de Joodse leiders voldoende om Jezus te veroordelen. Als je zegt dat je de Messias bent en de zoon van God, dan zeg je eigenlijk dat je zelf God bent en dat is een vloek! Jezus verdient de doodstraf!
  • Petrus - Ondertussen zit Petrus op de binnenplaats van het huis van de hogepriester bij het vuur. Hij wil erachter komen wat ze met Jezus gaan doen. Drie keer wordt hij herkend als vriend van Jezus, maar drie keer liegt hij glashard dat hij Jezus niet kent. Als de haan kraait denkt hij weer aan de voorspelling van Jezus en huilt hij bitter.
  • Jezus bij Pilatus - De Joden mogen zelf geen mensen ter dood veroordelen omdat de Romeinen de baas zijn in hun land. Dus brengen de Joodse leiders Jezus naar Pilatus, die de baas is in Jeruzalem. De Joodse leiders beschuldigen Jezus van allerlei dingen en weer zegt Jezus geen woord.
  • Jezus of Barabbas -  Pilatus heeft geen zin om een onschuldig man te veroordelen. Elk jaar bij het Pesachfeest laat hij een gevangene vrij. Dus hij vraagt alle mensen die naar zijn paleis zijn gekomen wie hij zal vrij laten: Jezus of de moordenaar Barabbas? Tot zijn verbazing roepen ze om de vrijlating van Barabbas. En opgejut door de Joodse leiders schreeuwen ze dat Pilatus Jezus moet laten kruisigen. Pilatus geeft de menigte zijn zin. Hij laat Jezus geselen om Hem daarna te laten kruisigen. De doodstraf voor zware criminelen.
  • Koning van de Joden -De Romeinse soldaten maken nog even een lolletje met de veroordeelde. Ze verkleden Hem als koning en mishandelen Hem daarna. Daarna brengen ze Hem weg richting Golgotha.

Wat doe jij als je oneerlijk beschuldigd wordt?

Stel dat je juf of meester ontdekt dat de lekkere gevulde koek van het bureau is verdwenen en jij wordt ervan beschuldigt, terwijl je het niet gedaan hebt. Wat doe je dan?

Waarom denk jij dat Jezus niets zei toen ze Hem oneerlijk beschuldigden?

Denk nog eens aan hoe jij zou reageren als iemand je vals beschuldigt en luister naar het liedje ‘Waarom bleef U zo stil?’