Dag 2: Heb God lief boven alles Print

Samenvatting en focus voor de leerkracht

De grondregels beginnen met: 'Ik ben de Heer, jullie God.' De Israëlieten vergeten dat steeds. Ze eren andere, zichtbare goden. God straft het volk voor hun ongehoorzaamheid, maar helpt ook. Zo krijgt Gideon een teken dat God hem zal helpen. Dan durft hij de afgoden kapot te maken. Focus er in de vertelling op dat Gideon iets heel zichtbaars doet voor een onzichtbare God.

Tijdlijn

Gideon is één van de rechters. Rechters leiden het volk in de tijd tussen Jozua en Samuël, ongeveer 1350 tot 1050 voor Christus.

Extra informatie

  • Midjan – Midjanieten zijn afstammelingen van Midjan, één van de zonen van Ketura. Zij was de tweede vrouw van Abraham, na de dood van Sara.
  • Baäl – Baäl is de god van de regen en de storm en werd aanbeden voor een goede oogst. Deze heidense god werd het meest vereerd door de Israëlieten. Baäl werd meestal afgebeeld in de vorm van een stier, wat symbool stond voor kracht en vruchtbaarheid.
  • Asjera – Asjera is de godin van de liefde, vruchtbaarheid en oorlog en de vrouwelijke god van de Baäl. Ze werd vereerd door middel van houten pilaren als vervanging van heilige bomen, zoals bij heidense godsdiensten soms gebruikelijk was. Bij de verering van Asjera hoorden vaak kinderoffers en tempelprostitutie.
  • Jerubbaäl – Joas noemt Gideon Jerubbaäl, dat betekent: hij strijdt met Baäl.

Lijn van de vertelling:

  • Het volk is ongehoorzaam; de Midjanieten plunderen alles – De Israëlieten doen wat slecht is in de ogen van God. Daarom zorgt God ervoor dat de Midjanieten komen plunderen. Nu al zeven jaar achterelkaar. Elk jaar als het gewas op het veld staat, komen de Midjanieten en soms ook de Amalekieten en andere woestijnvolken en vallen ze Israël binnen. Ze komen als een zwerm sprinkhanen: ze zetten hun tenten op, vallen met hun kamelen het land in en verwoesten alles. Daardoor vervalt het volk Israël in bittere armoede. Er is niets meer om van te leven.
  • Het volk roept God om hulp – Het volk roept God om hulp tegen de Midjanieten. God stuurt een profeet, die zegt: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: Ik heb jullie uit Egypte geleid, uit de slavernij. Ik heb jullie verlost van de Egyptenaren en jullie land gegeven om te wonen. Ook heb Ik gezegd dat jullie geen andere goden mogen vereren, want Ik ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd!’
  • Een engel komt bij Gideon – Op een dag is Gideon, de zoon van Joas, bezig met het dorsen van tarwe. Hij doet dat in de wijnpers, om ervoor te zorgen dat de Midjanieten het niet zien. Ineens is er een engel bij hem. Hij zegt: ‘God is met je, dappere krijgsman’.
  • Gideon is moedeloos – Het antwoord van Gideon laat zijn moedeloosheid zien. ‘Mag ik u vragen, als God echt bij ons is, waarom overkomt ons dit dan? Waar blijft Hij dan met zijn wonderlijke daden? Hij trekt zich niks van ons aan, we zijn overgeleverd aan de Midjanieten!’
  • God daagt Gideon uit – God spreekt door de engel met Gideon. Hij daagt Gideon uit: ‘Toon je moed, bevrijd Israël. Dat is mijn opdracht aan jou!’ Gideon vraagt hoe hij dat zou kunnen doen: ‘Hoe kan ik Israël bevrijden? Mijn familie heeft al niets in te brengen en ik ben ook nog de jongste.’ God antwoordt dat Gideon dat kan, omdat hij hem bij zal staan.
  • Gideon vraagt een teken – Gideon vraagt de engel om te blijven, zodat hij iets kan halen om Hem aan te bieden (hiermee vraagt hij God om een teken). Gideon gaat naar huis, maakt eten klaar: een geitenbokje, ongedesemd brood en kookvocht. Als Gideon terugkomt, is de engel er nog. De engel laat Gideon het vlees en de broden op een rotsblok leggen en overgieten met het kookvocht. De engel raakt het met zijn staf aan en meteen laait er een vuur op dat alles verteerd. Tegelijk is de engel verdwenen. Gideon roept uit: ‘Ik heb oog in oog gestaan met een engel van God!’ Maar God stelt Gideon gerust: ‘Je hoeft niet bang te zijn’. Gideon bouwt op die plek een altaar voor God.
  • Gideon sloopt de afgodsbeelden en maakt een altaar voor God – Diezelfde nacht zegt God tegen Gideon: ‘Neem de stier van je vader, dat dier dan nu al zeven jaar verborgen wordt. Sloop het altaar dat voor Baäl is opgericht en hak de Asjerapaal om die ernaast staat. Bouw voor Mij een altaar op het hoogste punt van het terrein, zoals het hoort, en maak een vuur (met het hout van de Asjerapaal) om de stier te offeren. Uit angst voor zijn familie en stadgenoten gaat Gideon ’s nachts op pad. Hij neemt tien knechten mee en doet precies wat God hem heeft gezegd.
  • De mensen willen Gideon doden – De volgende ochtend zien de inwoners van de stad dan het altaar van Baäl en de paal weg zijn en dat er een nieuw altaar is, waar een stier op geofferd is. Ze komen erachter dat Gideon dat heeft gedaan. Ze komen bij Joas en eisen dat hij Gideon aan hen uitlevert. Ze willen hem doden.
  • Joas spot met Baäl – Maar Joas zegt: Als Baäl god is, dan zal hij wel voor zichzelf opkomen als iemand zijn altaar heeft gesloopt!

Hoe vind je het dat je God niet kan zien?

De kern van het verhaal is dat Gideon iets zichtbaars doet voor een onzichtbare God. Wat doe jij voor God, ook al zie je hem niet?

Mensen hebben wel behoefte om iets te zien, maar God wil niet afgebeeld worden. Gods grootheid is niet te vatten in materie. Wat je ook kiest, het is altijd te klein, te weinig.